Wetgeving dwangakkoord

wetgeving01

Wetgeving dwangakkoord

Achtergrond

In 1998 is de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen ingevoerd (WSNP) ingevoerd. Voor die tijd was het voor mensen met te hoge schulden erg moeilijk om van hun schuldenlast af te komen. Zij moesten vaak jarenlang betalen en hielden last van loonbeslagen zodat werken niet meer interessant was.

De wettelijke schuldsanering is een onderdeel van de Faillissementswet. Hoewel alle regels in de Faillissementswet staan, worden de regels over de schuldsanering nog steeds “WSNP” genoemd.

Het idee is dat iemand met schulden zich eerst moet wenden tot de schuldhulpverlening van de gemeente. Dit wordt het “minnelijke traject” ofwel “MSNP”genoemd. In sommige gevallen gaan alle schuldeisers akkoord met een saneringsvoorstel. De MSNP is een soort contract tussen de schuldeisers en de persoon met schulden. De schuldhulpverlener voert de afspraken uit, maar het traject is niet zo streng als de WSNP. Er wordt geen bewindvoerder benoemd en er komt geen rechtszaak.

Als het minnelijke traject mislukt kan de schuldhulpverlener bij de rechter toelating tot het wettelijke traject vragen. Als de rechter het verzoek toewijst, moeten de schuldeisers dit accepteren. Dat geldt ook voor de schuldeisers die in het minnelijke traject tegen het saneringsvoorstel waren.

In de eerste jaren na de invoering van de WSNP, mislukte het minnelijke traject vrijwel altijd. De instroom in het wettelijke traject was opvallend hoog. Dit traject is zwaarder en duurder vanwege het salaris van de bewindvoerder. Bij de evaluatie van de wetgeving werd de conclusie getrokken dat het minnelijke traject versterkt moest worden. Er moest een instrument komen om de kans van slagen van het minnelijke traject te verhogen, zodat er minder mensen doorstroomden naar de WSNP.

Om die reden is in 2008 een nieuw wetsartikel ingevoerd: art. 287a Fw. Tegelijk met het verzoek om toegelaten te worden tot de WSNP, kan een dwangakkoord worden aangevraagd. Een andere naam met dezelfde betekenis is “gedwongen schuldregeling”. Art. 287a Fw. is de enige wettelijke bepaling over het dwangakkoord. Alle uitspraken van rechters zijn op deze ene bepaling gebaseerd. Om te weten hoe een rechter kan beslissen, moet je dus ook kennis nemen van de uitspraken die rechters hebben gedaan. Die uitspraken zijn zeer gevarieerd, omdat elk geval anders is. Sommige uitspraken worden gepubliceerd, andere niet. Praktijkervaring met de toepassing van het dwangakkoord is daarom belangrijk.

Verschillen tussen dwangakkoord en WSNP-toelating

Er zijn enkele belangrijke verschillen tussen de regels voor toelating tot de WSNP en de regels voor het dwangakkoord. Voor de WSNP geldt bijvoorbeeld dat in de vijf jaar voorafgaand aan de toelating geen sprake is geweest van schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan. Denk bijvoorbeeld aan belastingfraude of verkeersboetes. Deze eis geldt voor het dwangakkoord niet. Een ander verschil is dat een persoon maar eenmaal in de 10 jaar tot de WSNP toegelaten mag worden; voor het dwangakkoord maakt dat niet uit. Een belangrijk verschil is ook dat de rechter bij een dwangakkoord een belangenafweging maakt.  Het belang van de schuldeisers die met het minnelijke voorstel hebben ingestemd telt mee en ook het persoonlijke belang van de schuldenaar (om niet in de WSNP te komen) legt gewicht in de schaal. Als de meeste schuldeisers en/of de schuldeisers die het hoogste aandeel in de schuld hebben het minnelijke traject willen, dan is de kans groot dat de rechter dit oplegt aan de schuldeiser die dwars ligt. Bij de WSNP werkt dat anders. De rechter kijkt dan niet naar de belangen van de schuldeisers en de schuldenaar maar vooral naar de vraag of sprake is van schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan (fraudeschulden) en naar andere harde wettelijke eisen  zoals de regel dat iemand maar eenmaal in de 10 jaar kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.

Jurisprudentie

Er zijn maar weinig uitspraken van de Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland, over het dwangakkoord.   De uitspraken van lagere rechters zijn casuïstisch. De Hoge Raad heeft in 2005 in het zogenaamde “Payroll-arrest” beslist dat de lagere rechter niet zoveel speelruimte heeft om een gedwongen schuldregeling op te leggen aan de schuldeisers (HR 12 augustus 2005, NL2006/230, ECLI:NL:HR:2005:AT7799). De Hoge Raad overweegt dat een dwangakkoord voor de schuldeisers minder waarborgen biedt dan het WSNP-traject. Het dwangakkoord had toen de Hoge Raad deze uitspraak deed echter nog geen wettelijke basis in art. 287a Fw.  Sinds 2008 is de speelruimte toegenomen en leggen lagere rechters wel degelijk dwangakkoorden op.  Uit de statistiek blijkt dat in de meerderheid van de ingediende verzoeken door de rechtbank een dwangakkoord wordt opgelegd. De kans van slagen van een goed onderbouwd dwangakkoord-verzoek is dus meer dan 50 %. Schuldeisers liggen nog wel eens dwars omdat ze onbekend zijn met de regeling of om andere dubieuze redenen, zoals het uitwinnen van een loonbeslag.

Wettekst

Dit is de complete tekst van art. 287a Fw.:

Artikel 287a Faillissementswet
  1. De schuldenaar kan in het verzoekschrift, bedoeld in artikel 284, eerste lid, de rechtbank verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
  2. De rechtbank stelt terstond dag, uur en plaats vast waarop zij de schuldenaar en schuldeiser of schuldeisers op wie het verzoek betrekking heeft, zal horen, onverminderd artikel 287, tweede lid.
  3. De griffier roept de schuldenaar op bij brief en roept de schuldeiser of schuldeisers op bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt.
  4. De rechtbank doet op de dag van de zitting of anders uiterlijk op de achtste dag daarna uitspraak op het verzoekschrift. De uitspraak geschiedt bij vonnis.
  5. De rechtbank wijst het verzoek toe indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Artikel 300, lid 1, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.
  6. Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.
  7. Indien de rechtbank het verzoek afwijst, beslist zij op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, indien de schuldenaar het verzoek daartoe handhaaft.

Bel ons: 020 696 3000